Vooral veel boeren...
Midden-Delfland, een rustig natuurgebied te midden van de drukke en hectische randstad. Hier en daar kom je tussen het natuurschoon boerderijen, molens en kerkjes tegen. Toch is dit gebied is al heel lang bewoond. Al vanaf 4100 voor Christus waren er bewoners in het westelijk deel van Midden-Delfland, de zogenaamde Vlaardingercultuur. In Midden-Delfland zelf zijn bewoningssporen gevonden die dateren uit 3800-3400 voor Christus. Meer informatie over de oudste bewoning is te vinden bij het thema 'Ontstaansgeschiedenis van Midden-Delfland'.

De Aalkeetpolder (Foto: Midden-Delfland.net)
De bewoners kregen het land niet zomaar cadeau. Regelmatig had het gebied te maken met overstromingen. Als oplossing werden er dijken gebouwd, gronden ontgonnen en ontwaterd. De landheer stimuleerde dit proces, want bescherming van het land zorgde uiteindelijk ook voor meer belastingopbrengsten. Door de ontwatering klinkte de veengrond enkele meters in. Om de polders watervrij te houden werd het water met molens uit de poldersloten opgepompt en op het boezenwater geloosd. Om droge voeten te houden kozen de bewoners ervoor om te gaan wonen op de hoger gelegen gedeelten. Hier ontstonden dan ook de eerste nederzettingen zoals de heerlijkheden Kethel en 't Woudt. Een heerlijkheid is een vorm van bestuur die voortkwam uit een feodale tijd. De heer kreeg allerlei economische en bestuurlijke voorrechten binnen zijn gebied. De heer kon zo inkomsten derven uit het visrecht of marktrecht. Groot waren deze nederzettingen niet. Je vond er niet meer dan een paar boerderijen, een kerk en soms een kroeg.

' t Woudt omstreeks 1725 (archief van de Nederlandse Provincie van de Orde der Minderbroeders Capucijnen te 's Hertogenbosch. Foto: GAD).
De bewoners van het Midden-Delfland waren vooral veeboeren. Dit kwam door de natte veengrond, waardoor akkerbouw niet mogelijk was. Producten zoals kaas en boter werden van de boerderijen naar de omliggende steden Delft, Schiedam en Vlaardingen gebracht om daar verhandeld te worden. Naast veeteelt werd turfwinning in de zestiende eeuw, een andere belangrijke bron van inkomsten voor de boeren. Echt rijk waren de boeren niet. Van iedereen in het gezin werd verwacht dat ze een handje meehielpen.

Voddijkpad (foto: Midden-Delfland.net)
Naast landbouw ging de scheepvaart een steeds belangrijkere rol spelen. Zaken als grond en mest werden namelijk per boot vervoerd. Waar handel was, waren herbergen te vinden! Nederzettingen langs de vaarten konden tol heffen.

(De Schie met rechts het tolhuis aan de Overschieseweg, gemeente Overschie, 1900. Foto: Van Diggelen. GAS)
In de zestiende eeuw was er sprake van een sterke groei van de steden. Steden boden tijdens de Opstand (de Tachtigjarige Oorlog) meer veiligheid dan het onbeschermde platteland. Nogal wat boeren hielden het voor gezien en vertrokken naar de steden. In de Gouden Eeuw bloeide de handel weer op voor de boeren. Economische crisis en veepest in de zeventiende eeuw teisterden de plattelandsbewoners. Pas rond 1800 waren er meer bouwactiviteiten in Midden-Delfland. Door een stijging van de bevolking ging de vraag naar boter en kaas omhoog. Met gevolg dat de stallen werden vergroot en voorzien van een nieuwe inrichting.

Braakliggende grond in de wijk Spaland in afwachting van het bouwrijp maken. Op de achtergrond de St.Jacobuskerk (Foto: Roel Dijkstra. GAS).
Ga voor onderzoek naar dit thema ook:
⇒ Naar de bronnen
⇒ Naar de foto's